Het fenomeen 'panorama'

De bedrieglijk echte panorama ervaring bestaat al veel langer dan het Panorama Mesdag. Ruim twee eeuwen geleden kreeg Robert Barker, een Ierse schilder en tekenleraar, een ingeving, die hij in 1787 in een patent liet vastleggen. Zijn vinding omschreef hij als ‘een geheel nieuw maaksel of toestel, dat ik ‘de natuur in één oogopslag’ noem, en dat gebruikt kan worden voor het vertonen van weidse uitzichten op de natuur, gemaakt als olieverfschilderij, fresco, aquarel, crayontekening of in welke andere vorm van schildering of tekening dan ook.’Lees meer

Barker-Leicester Square

Doorsnede van Barkers dubbelrotonde

Doorsnede van Barkers dubbelrotonde

De werking ervan berustte op het feit, dat diverse maatregelen samen een ruimtelijke illusie geven. Men raakt vóór het betreden van het Panorama met opzet gedesoriënteerd. Eenmaal binnen kan men de diepte van het beeld niet zien, noch de manier waarop het licht binnenvalt. Evenmin kan het beeld met de werkelijkheid worden vergeleken, een werkelijkheid die door de schilders wordt nagebootst door de grote problemen met het perspectief op het doek goed (dus onopvallend) op te lossen. De eerste Panorama’s die Barker zelf vanaf 1792 schilderde, waren een succes.
Samen met zijn zoon was hij commercieel zelfs erg succesvol in een ‘dubbelrotonde’ aan het Leicester Square in Londen. In dat gebouw, dat tot 1864 in gebruik bleef, werden twee panorama’s tegelijk tentoongesteld. Zijn ‘Panorama van Londen’ reisde in 1799 naar Hamburg en hing het jaar daarna op de jaarbeurs in Leipzig. Toen opende ook het eerste ‘eigen’ Panorama op het vasteland van Europa, in Berlijn, met een gezicht op Rome. Er zouden in Berlijn nog zes andere panoramagebouwen volgen!
Gedurende de hele 19e eeuw bleef het fenomeen Panorama in Engeland en Frankrijk wel als het eerste massamedium bestaan, maar het betrof kleine panorama’s, met een doorsnede in de orde van 15 meter. Zo’n vijftig jaar na de uitvinding raakten ze in verval en vrijwel in vergetelheid. Tot het fenomeen werd herondekt toen in de 19e eeuw nieuwe visuele sensaties aandacht kregen, onder andere door de uitvinding van de fotografie (Daguerre, 1839) en de komst van de eerste treinen en stoomboten. Het waren Fransen en Belgen die er in 1860 nieuw leven in bliezen en er omstreeks 1875 een ware rage mee ontketenden.

Perspectief en illusie

In de Middeleeuwen lag bij de schilderkunst duidelijk de nadruk op het overbrengen van een religieuze boodschap. Schilderijen uit die tijd vertellen vaak hoe je je moet gedragen, en wat je vooral moet doen om uit de hel te blijven. In veel van deze schilderijen valt op dat ze niet ‘kloppen’: Dingen lijken van tafel te vallen, de afbeelding lijkt plat, belangrijke mensen worden groter afgebeeld dan anderen, enzovoort.

Oud-test-drieeenheid-middeleeuwen

Oudtestamentische drie-eenheid, omstreeks 1400

Toen in de Renaissance (15e en 16e eeuw) de mens meer centraal werd gezet in de schilderkunst, werd er meer wetenschappelijk naar schilderijen gekeken. Het doel werd veel meer om een voor de toeschouwer realistische ervaring over te brengen. Om dit te bewerkstelligen werden enkele trucjes uitgevonden. De horizon in schilderijen werd voorheen daar neergezet waar dat het best uitkwam voor de voorstelling. In de Renaissance vonden schilders uit dat wanneer de horizon op ooghoogte van de toeschouwer werd gezet dit een realistischer beeld opleverde. Bovendien werden schilderijen op steeds grotere doeken gemaakt, zodat de toeschouwers eerder het gevoel kregen dat zij ook in het schilderij stonden.

Bovenaanzicht perspectief

Bovenaanzicht perspectief

Ook de regels van het centraal-perspectief werden in deze tijd ontdekt. Voor eenvoudige objecten zoals kubussen is het redelijk eenvoudig om perspectief te laten zien. De figuur hiernaast toont een kubus, eerst gezien van bovenaf, en dan zoals een toeschouwer op het aangegeven punt het zou zien. In de afbeelding zien we dat lijnen die parallel aan elkaar lopen (zoals de onder- en bovenrand van een vlak van de kubus) in het perspectief samen lijken te komen op de horizon. Hierdoor wordt ook een kubus die verder weg staat kleiner.
Een ingewikkelder object of figuur in perspectief tekenen (zoals bomen, schepen, maar natuurlijk ook mensen) is natuurlijk moeilijker dan een kubus tekenen. Vandaar dat schilders verder zochten naar trucjes om het makkelijker te maken. Ze kwamen er achter dat wanneer de verhoudingen en de verdwijnpunten eenmaal goed op papier of canvas staan, de details dan later in te vullen waren. Ook bedachten ze dat een scène ‘overtrekken’ natuurlijk makkelijker is dan een scène ‘gewoon natekenen’.
Als je één oog dichthoudt en dan je hoofd niet beweegt, merk je dat je best de vormen die voor je staan over zou kunnen trekken in de lucht met een pen. Misschien kun je je dat nog beter voorstellen als je voor een ruit staat. Je zou dan op het glas een stuk overtrekpapier kunnen hangen en – als het buiten licht genoeg is – de dingen in de tuin of straat kunnen overtrekken. In de Renaissance deden ze het meestal nog een beetje anders: in een gravure van Albrecht Durer zien we hoe hij zijn scène opdeelt in allemaal kleine hokjes. Die hokjes kan hij stuk voor stuk natekenen, en zo bouwt hij zijn perspectief op.
Albrecht Durer gebruikt een grid als hulpmiddel bij het overtrekken van zijn onderwerp.

Albrecht Durer gebruikt een grid

Albrecht Durer gebruikt een grid

We springen een stuk verder in de tijd. Rond 1785 bedacht een jonge Ierse schilder en tekenleraar een manier om zijn publiek nog beter de sfeer van zijn schilderij te laten beleven. Schetsend op een heuvel buiten Edinburgh in Schotland raakte Robert Barker waarschijnlijk zo onder de indruk van dit adembenemende vergezicht, dat hij besloot om een schilderij te maken van het hele uitzicht. Om het hele uitzicht in één schilderij af te beelden was het nodig om het schilderij in het rond om de toeschouwer heen te zetten.
Barker experimenteerde met technieken om perspectief te vervolmaken, maar merkte daarbij dat de regels voor perspectief zoals ze in de Renaissance waren ontwikkeld niet werkten op een rond schilderij. Toch lukte het Barker om een ‘rond’ schilderij te maken, en in 1787 vroeg hij patent aan op zijn methodes. Hij noemde zijn vinding eerst “La nature à coup d’oeil”, vrij vertaald “de natuur in zicht”. Al snel hernoemde hij het ‘panorama’, afgeleid van de Griekse woorden “pan” (alles) en “horama” (zicht). Het lijkt geen al te grote stap te zijn van grote schilderijen met weidse landschappen naar een schilderij dat op een cilindrisch (krom) doek geschilderd is. Toch merkte Barker dat er rare dingen gebeuren op zo’n schilderij, vooral met het perspectief. De regels van het perspectief gaan ervan uit dat de toeschouwer op één punt stil staat, en recht voor zich uitkijkt. In de prent van Albrecht Durer zien we dat hij zijn oog op één bepaalde plek houdt door middel van een steuntje met daarop een ring waar hij doorheen kijkt. Alleen met zo’n vast standpunt zijn er verdwijnpunten op een ‘vaste plek’ op de horizon. Als je je hoofd draait, dan draaien de verdwijnpunten met je mee, en verschuiven dus over de horizon; het perspectief verandert.

Barker's panorama van Edinburgh. omstreeks 1796.  © City Arts Centre

Barker’s panorama van Edinburgh. omstreeks 1796. © City Arts Centre

Ook voor panorama’s zijn trucjes uitgevonden om toch afbeeldingen te maken waarbij het perspectief klopte. Eigenlijk lijken die trucs heel erg op de overtrektrucs voor gewoon perspectief. Panorama-schilders lieten een niet al te grote glazen cilinder maken, en zetten die neer op de plek waar ze hun panorama wilden schilderen. Door midden in de glazen cilinder te gaan staan, konden ze het uitzicht om hen heen ‘overtrekken’ met witte lijnen op de glazen cilinder. Mesdag heeft ook zo’n cilinder gebruikt voor zijn panorama in de Scheveningse duinen, en de glazen cilinder is nog steeds te bewonderen in het midden van het platform (midden tussen de wenteltrappen die van en naar het panorama leiden).
Als de schilders de scène aan de binnenkant van de glazen cilinder hadden getekend, konden ze eventueel een langwerpig vel papier om de cilinder wikkelen, en de scène daar dan weer op overtrekken. Op deze manier konden ze een platte (uitgerolde) weergave maken van het cilindrische schilderij. Op zo’n uitgerold schilderij valt op dat rechte lijnen die in perspectieftekeningen recht naar de verdwijnpunten op de horizon lopen, nu opeens gekromd worden door het steeds veranderende perspectief. Verticale lijnen blijven trouwens nog steeds recht en verticaal.

De glazen cilinder die Mesdag heeft gebruikt

De glazen cilinder die Mesdag heeft gebruikt

Om de illusie van het panorama nog meer te verhogen probeerden panoramaschilders steeds meer om de overgang tussen het schilderij en de echte, fysieke ruimte waar de toeschouwer zich bevond te verbergen. Zo ontstond het concept van het ‘faux terrain’, ofwel ‘vals terrein’. In de dwarsdoorsnede zien we behalve het cilindrische doek en het plateau waar de toeschouwer op staat een soort landschap, dat voor de toeschouwer naadloos aansluit bij het tafereel van het panorama. Ook de begrenzing van de bovenkant van het schilderij wordt aan het oog onttrokken door een afdak boven de hoofden van de toeschouwers. Verder wordt ervoor gezorgd dat de belichting van het valse terrein overeenkomt met de belichting in het schilderij. Op deze manier is er voor de toeschouwers geen duidelijke overgang tussen hun directe omgeving en het schilderij. Ook wordt in panorama’s vaak gebruik gemaakt van subtiele achtergrondgeluiden waardoor het nog meer lijkt alsof je je in de scène van het schilderij zelf bevindt.

Dwarsdoorsnede panorama met faux terrain

Dwarsdoorsnede panorama met faux terrain

In de tweede helft van de 19e eeuw ontstond een ware hype rond dit soort grootschalige, geschilderde panorama’s. Er werden voor de panorama’s – die soms wel 100 meter in omtrek en meer dan 15 meter hoog waren – speciale cilindrische gebouwen geplaatst. Toen media als televisie en (bioscoop-)journaals nog niet bestonden, vormden panorama’s de enige manier voor een grote massa mensen om een indruk te krijgen van belangrijke gebeurtenissen. De panorama’s van De slag bij Gettysburg (geschilderd in 1883 door Paul Philippoteaux, nu nog te zien in Gettysburg in de VS) en het panorama van De Slag bij Waterloo (geschilderd in 1912 door Louis Dumoulin, ook nu nog te bezichtigen) zijn mooie voorbeelden van deze toepassing van panorama’s. Met de komst van bioscopen en later televisie is het panorama een beetje in de vergetelheid geraakt. Bewegend beeld bleek een grotere aantrekkingskracht te hebben dan de imposante panorama’s. Veel panorama’s werden niet meer onderhouden, gebouwen brandden af of werden gesloopt. Nu zijn er nog maar een zo’n 30 grote (historische) panorama’s, verspreid op de wereld. Panorama Mesdag in Den Haag is het oudste historische panorama dat nog op zijn oorspronkelijke plek te bewonderen is.
De laatste jaren is er opeens weer belangstelling voor panorama’s, maar vanuit een hele andere hoek dan vroeger: fotografie. Als je op vakantie een foto maakt, dan merk je soms dat er op de echte vakantieplek veel meer te zien was dan er uiteindelijk op één zo’n kleine foto te zien is. Een mooi uitgestrekt landschap ziet er op een foto heel anders uit. Sommige mensen maken om toch meer van de plek te laten zien een paar foto’s, die ze dan later op tafel als een legpuzzel naast elkaar kunnen leggen. Als je foto’s op deze manier naast elkaar legt merk je dat ze nooit goed aan elkaar passen. Het probleem zit hem in het verdraaien van het standpunt. Hierdoor verdraait ook het perspectief tussen de twee standpunten, en daardoor passen twee foto’s die op zichzelf een goed perspectief hebben niet aan elkaar.

Foto's naast elkaar gelegd - Foto's digitaal gestitched

Links foto’s naast elkaar gelegd en rechts foto’s digitaal gestitched

Met computers en de komst van digitale beeldbewerking is hier verandering in gekomen. Foto’s kunnen – als ze eenmaal in de computer staan – zo worden vervormd, dat een naadloos panorama ontstaat. Deze techniek van foto’s met de computer vervormen en aan elkaar plakken is al in de jaren 80 ontwikkeld, maar werd pas eind jaren 90 snel populair. Toen werd goede foto’s maken met digitale camera’s namelijk een stuk betaalbaarder. Voor het maken van panorama’s is dat belangrijk, omdat je vrij veel foto’s moet maken (afhankelijk van de camera snel 20 tot 30 foto’s) om een redelijk panorama te krijgen. Met camera’s die nog met fotorolletjes werken wordt het maken van panorama’s dan al snel een dure hobby. Bovendien vervalt bij het maken van digitale foto’s het laten ontwikkelen en afdrukken van de foto’s en het scannen in de computer zodat het panorama kan worden gemaakt.
De digitale panorama’s kunnen net zoals digitale foto’s worden uitgeprint. Dat moet dan wel liefst op langwerpig, ‘panoramisch’ papier gebeuren. Er is ook een andere manier ontwikkeld om naar de panorama’s te kijken, op de computer. Er zijn computerprogramma’s waarmee de panorama’s zo worden bewerkt, dat de vervormingen in het perspectief weer ongedaan worden gemaakt door maar een stukje van het panorama tegelijk te laten zien en dat terug te vormen naar een ‘gewone foto’. Door te klikken en slepen met de muis kun je dan als het ware zelf in het rond kijken op de plek waar het panorama is gemaakt. Veel van die programmaatjes werken samen met een web-browser, zodat je bijvoorbeeld op de website van een hotel alvast een kijkje in één van de kamers kunt nemen, of een voorproefje nemen van je vakantie bestemming. En dat is eigenlijk min of meer waar de geschilderde panorama’s ooit ook voor bedoeld waren: het publiek de kans geven om op een bepaalde plek en/of bij een bepaalde gebeurtenis aanwezig te zijn.

Neem ook eens een kijkje op de volgende sites:
Panoramas.dk
FieldOfView.nl
SphericalPanoramas.com

Scheveningen

SCHEVENINGEN; EEN KORTE GESCHIEDENIS